Naslagwerk voor nieuwe comperanten
Courante termen
Op training vliegen de vaktermen je om de oren. Hier vind je de belangrijkste woorden op een rijtje — over de boot, de techniek en wie wat doet aan boord.
Boot & materiaal
De basiswoordenschat rond boten en uitrusting.
Skiff
Een boot voor één roeier, met twee riemen (scullen). De smalste en instabielste boot.
Twee / vier / acht
Boten voor 2, 4 of 8 roeiers. Kan met stuur (+) of zonder stuur (-), en met één riem per roeier (boordroeien) of twee (scullen).
Riem vs. scull
Bij boordroeien heeft elke roeier één lange riem. Bij scullen heeft elke roeier twee kortere riemen (scullpagaaien), één per hand.
Dol
Het U-vormige steunpunt op de uitlegger waarin de riem draait tijdens het roeien.
Vlonder / steiger
Het platform aan het water van waar je te water gaat en de boot in- en uitstapt.
Ergometer (“erg”)
Het roeitoestel op het droge, gebruikt voor conditie- en techniektraining wanneer er niet gevaren wordt.
Onderdelen van een skiff
Van boven en van opzij. De riemen staan op het moment van de inpik: je zit met je rug naar de vaarrichting en reikt naar de achtersteven.
- Boeg — de voorkant van de boot, in de vaarrichting. Komt als eerste over de finish.
- Boegbal — rubberen bal op de punt van de boeg, verplicht voor de veiligheid.
- Achtersteven — de achterkant van de boot. Als roeier kijk je naar deze kant.
- Romp — het lange, smalle lichaam van de boot.
- Uitlegger — het frame dat de dol een eind buiten de boot houdt, voor een langere hefboom.
- Dol — draaibaar steunpunt waarin de riem ligt, bovenaan afgesloten met een klepje.
- Riem — in een skiff heb je er twee (scullriemen), één per hand.
- Blad — het brede uiteinde van de riem dat in het water gaat.
- Voetenbord — schuine plaat met vaste schoenen waartegen je afduwt.
- Slede (rolbank) — het zitje dat op wieltjes over rails heen en weer rolt.
- Vin — klein vinnetje onder de romp dat de boot rechtuit houdt.
- Waterlijn — tot waar de boot in het water ligt.
Bakboord — de linkerkant als je naar de boeg kijkt. Kleur: rood.
Stuurboord — de rechterkant als je naar de boeg kijkt. Kleur: groen.
Opgelet: als roeier zit je met je rug naar de boeg. Bakboord zit dus aan je rechterhand en stuurboord aan je linkerhand. Riemen zijn vaak gemarkeerd met een rood of groen bandje, zodat je ze aan de juiste kant legt.
Techniek & haalfases
Elke roeihaal doorloopt dezelfde fases — de termen die je trainer gebruikt om ze te bespreken.
Catch / inpik
Het moment waarop het blad van de riem het water ingaat, aan het begin van de haal.
Haal
De fase waarin je kracht zet: benen, rug en armen brengen de boot vooruit terwijl het blad in het water zit.
Uitpik / finish
Het einde van de haal: het blad komt uit het water en je maakt het plat om weerstand te vermijden.
Zenden / recovery
De rustige fase na de uitpik: je zendt de handen weg en schuift terug naar de inpik, klaar voor de volgende haal. Ook wel herpakken genoemd.
Slaglengte
Hoe ver je het blad door het water haalt, van catch tot finish. Bepaalt mee hoeveel kracht je zet per haal.
Slagfrequentie (SPM)
Het aantal halen per minuut. Wordt gestuurd door slag en aangegeven in “strokes per minute”.
Volle bank
Je gebruikt de volledige lengte van de rails en buigt aan de inpik je benen helemaal in. Zo roei je normaal.
Halve / kwart bank
Je schuift maar half of een kwart zo ver naar voren. Dat wordt vooral gebruikt bij het opwarmen en bij techniekoefeningen.
Vaste bank
Het zitje blijft stil en je roeit alleen met je armen en je bovenlichaam. Dit is vaak de eerste stap van een opbouwoefening.
De roeihaal in vier stappen
Zo ziet één volledige haal eruit, van opzij bekeken. De roeier kijkt naar links, naar de achtersteven.
-
Inpik
Je zit opgerold vooraan op de bank met gestrekte armen. Het blad gaat verticaal het water in.
-
Haal
Eerst duwen de benen, dan zwaait de rug open en pas op het einde trekken de armen. Het blad blijft helemaal onder water.
-
Uitpik
Benen gestrekt, licht achterover, handvat tegen je onderste ribben. Druk de handen omlaag zodat het blad uit het water komt, en draai het plat.
-
Zenden
Je zendt de handen weg, laat de rug naar voren kantelen en rolt pas dan rustig met de bank naar voren. Het blad zweeft plat boven het water.
Functies & rollen
Wie doet wat aan boord en rond de ploeg.
Slag
De roeier die het dichtst bij de achtersteven zit en het tempo bepaalt. De rest van de ploeg ziet de slag voor zich en volgt zijn/haar ritme.
Boeg
De roeier die het dichtst bij de boeg zit: vooraan in de vaarrichting, maar achter alle andere roeiers in hun blikrichting. Voelt goed de balans van de boot en helpt vaak mee bij bochten.
Stuur(man/vrouw)
Bestuurt de boot, bewaakt de veiligheid en het tempo, en geeft de commando's door tijdens training en wedstrijd.
Coach / trainer
Begeleidt de training vanaf de kant of vanuit een volgboot, stelt ploegen samen en geeft technische feedback.
Plaatsen in een ploegboot
In een twee, vier of acht krijgt elke plaats een nummer. Je telt vanaf de boeg: de boeg is nummer 1, de slag heeft het hoogste nummer en zit het dichtst bij de achtersteven.
| Boot | Boeg | Tussen | Slag | Stuur |
|---|---|---|---|---|
| Twee (2x, 2-, 2+) | 1 | – | 2 | alleen bij de 2+ |
| Vier (4x, 4-, 4+) | 1 | 2, 3 | 4 | alleen bij de 4x+ en 4+ |
| Acht (8+) | 1 | 2 t/m 7 | 8 | altijd |
Waarom de slag belangrijk is: alle roeiers kijken naar de achtersteven en zien dus de slag voor zich. Iedereen volgt het ritme en de haallengte van de slag. De stuur zit meestal achteraan, recht tegenover de slag. Bij boordroeien roeit de slag meestal aan bakboord en wisselen de kanten daarna af, maar een ploeg kan dat ook anders opstellen.
Sta je zelf voor het eerst in een boot? Vraag gerust aan je trainer om deze termen nog eens te overlopen — niemand verwacht dat je dit vanaf dag één kent.
Verder op weg
Bekijk ook wat je moet meenemen en hoe onze trainingen verlopen.
Terug naar de quick start